Column: Onze Jeugd

13-08-2016 Nieuws Redactie

Eind 1945 ik was 10 jaar toen ik vanuit Maassluis naar Vlaardingen verhuisde. Onze vader en moeder kwamen beide uit Vlaardingen en pa werkte op de Vlaardingse touwfabriek. Maar toen deze in 1933 in de fik ging werd hem de kans gegeven om op de Maassluisse touwfabriek te komen werken, die ook eigendom was van dezelfde familie van der Lely. Zodoende zijn ik en mijn broer in Maassluis geboren maar uit Vlaardingse ouders. Hun huwelijk was prima en mede doordat mijn vader een handige ritselaar was, ontbrak het ons zelfs in de beruchte Hongerwinter aan niets.

Maar Adolf Hitler stond bekend om zijn rotstreken en een ervan was dat er op 6 januari 1945 in Maassluis/Vlaardingen/Schiedam overal biljetten ophingen dat alle mannen tussen de 18 en 45 jaar zich moesten melden voor de Arbeitseinzats in Duitsland. En Pa van Toor ging met nog 1000 anderen in goederentreinen, vrachtwagens en ook af en toe lopend over besneeuwde wegen op weg naar Tsjechoslowakije om daar door de ontberingen te bezwijken. Einde verhaal. 

Nee, wacht effe. Nou begint het pas. Want Moeder van Toor zat opeens met twee kinderen zeven kilometer van haar familie vandaan en had het daardoor niet meer zo naar haar zin in Maassluis. In die tijd bemoeide de burgemeester er zich nog mee of je in een stad wel of niet mocht komen wonen. Dus onze moeder vroeg audiëntie aan bij de toenmalige Burgemeester Siezen. Siezen? Ja, inderdaad. De pa van Harmen Siezen, de oud nieuwslezer van de TV.  Mijn moeder verzocht hem om een woongelegenheid in Vlaardingen omdat zij, nu haar man in Duitsland was overleden, liever bij haar familie in Vlaardingen wilde wonen, die haar een jonge weduwe van 32 jaar dan geestelijk een beetje kon bijstaan. Maar na mijn moeder aangehoord te hebben zei deze ‘Burgervader’ alleen: ‘Ga mijn kamer uit met je gezeur. Je wil alleen dicht bij je Mammie zijn.’ 

Maar deze van naastenliefde overlopende gelovige proleet had hier toch een kleine inschattingsfout gemaakt. Want terwijl mijn moeder hem toe schreeuwde: ‘Vuile kolerelijer! Ik hoop dat jouw dochter ook gauw weduwe wordt. Dan kan je van dichtbij meemaken wat ik meemaak met mijn twee kleine kinderen.’ Dit zeggende liep ze naar achter zijn bureau en gaf hem gewoon een paar enorme knallen voor zijn burgerkanis zodat hij met stoel en al achterover ging. Ik stond als jongen van tien jaar perplex en wist met de situatie geen raad. De Burgervader wel want hij riep luid: ‘Boooode!!! Verwijder dat vrouwmens uit mijn kantoor!’ En de bode werkte met zachte hand en vriendelijke woorden mijn vuurspuwende moeder het stadhuis uit onderwijl zeggende: ‘Het lijkt mij verstandig dat u het een andere keer iets subtieler aanpakt mevrouw van Toor.’  Maar moeder Elizabeth was uit ander hout gesneden dan een gemiddelde huisvrouw. Want een paar weken later vond ze iemand die in Maassluis wilde wonen, dus werd er geruild van woning.  Maar daar kwam Siezen een paar maanden later achter en die was woest. Maar toch hebben een paar Wethouders hem ervan afgehouden om die woningruil te annuleren. Dus vanaf die tijd woonden wij aan de Markgraaflaan. 

Ik had in no time in deze buurt een stel leuke vriendjes waar broer Adriaan van vier jaar ook van mee mocht als we de landerijen in gingen om eendeneieren of kievietseieren of wat dan ook te zoeken. Dat waren de weilanden die begonnen aan de linkerhelft van de Brederodestraat en vanuit de achtertuin van ons huis op de Markgraaflaan nummer 27 kon je Maassluis zien liggen. Alles was nog onbebouwd. Dat was onze wereld om te spelen en om op avontuur te gaan: De landerijen tussen Vlaardingen en Maassluis. 

Een bekende van mij woont nu aan de Tankval in de Westwijk. Als je moeder vroeger te weten kwam dat je helemaal tot aan de Tankval in de weilanden geweest was, kreeg je geheid op je donder. Maar daar trokken wij ons niets van aan. Ons kasteel/clubhuis was een oude Moffenbunker die ergens stond waar nu de Krabbeplas begint. Het gekke is dat uit onze vriendenclub van tien- tot dertienjarige jongens een aantal voortgekomen zijn die het toch nog aardig ver geschopt hebben in het leven. Als je rond ons huis aan de Markgraaflaan een cirkel van 500 meter zou trekken met nummer 27 als middelpunt kom je namen tegen van bijvoorbeeld Jaap Ploeg uit de Henriette Roland Holstraat. Hij was coach van de Olympische damesploeg zwemmen. 

Zonder Chris de Korte van de Markgraaflaan was in Nederland het Judo nooit zo groot geworden. Waarbij ik diezelfde eer ook aan Tino Hoogendijk moet geven, maar die kwam niet uit onze buurt. Een van de eerste Nederlandse profvoetballers van Nederland Jan Baksteen kwam van de Dijklaan. Aad Janson uit de Markgraaflaan begon later een Limousine vleesslagerij aan de van Hogendorplaan en schonk ons in zijn zoon Sander Janson een goede RTL TV-presentator.

Ton Don uit de Madoerastraat eindigde als Kolonel opleiding mariniers bij de Koninklijke marine. Giel Poot van de Groeneweg schopte het tot Directeur bij Van Ommeren. Adrie de Bruin uit de Soendalaan en zoon van onze melkboer de legendarische PVDA wethouder Teun de Bruin bracht het tot commissaris van de Rotterdamse politie. Mijn broer en ik traden eens op bij een feest voor het personeel van de advocaat,- en likeur fabriek De Boeren Kip ergens in Noord Holland. Toen zei Directeur Aad Moerman uit de Catsstraat in zijn dankwoord glunderend tegen de zaal van 800 man en vrouw personeel: ‘Mensen, geloven jullie van mij dat ik met die twee in mijn jeugd elke dag voetbalde?’ 

Gek hé. Op een halve vierkante kilometer in Vlaardingen kwamen ze zo maar uit het niets: een aantal goed geslaagde mensen. En wij hadden in de jaren 1945 tot 1953 allemaal niets. Alleen de lagere school en de avondschool. Voor de rest nada, rien, noppes. In de zomer liepen we op onze blote poten. Want schoenen hadden we niet. En in de winter liepen we hooguit op klompen naar school of op een paar afdankertjes van pa of een oudere broer en meestal vier maten te groot. Of van Jan van Aperen de tweedehands zaak aan de Biersloot. We hadden niets en kregen ook geen subsidie. Ook geen uitkering. Maar wat wij wel hadden was de vechtlust om wat te bereiken. 

Een paar jaar geleden had je een open atelierdag van Vlaardingse kunstschilders. Toen liep ik op de Westhavenkade bij een ‘subsidiekunstenaar’ naar binnen en bekeek de wanstaltige verfklodders op de doekjes die er aan de muur hingen. De ‘kunstenaar’ vroeg aan mij met blijde verwachting in zijn ogen: ‘Hoe vind u mijn werk meneer van Toor?’ Mijn antwoord was goed voor drie dagen mot met mijn ook aanwezige vrouw. Want ik vroeg hem droog: ‘Wat reken jij voor een schutting teren of plafond witten?’ 

Bas van Toor
www.clownbassie.nl

Reacties