Categorieën

Service

Beminnelijke Hollanders

Beminnelijke Hollanders
Nieuws

Beminnelijke Hollanders

  • Erik Meijer
  • 08-10-2012
  • Nieuws
Beminnelijke Hollanders

,,Kapitein Aas, van het Noorsche stoomschip Geiranger, dat op 75 zeemijlen ten Oosten van Sumburgh Head op de Sbetland-eilanden door een Duitsche duikboot getorpedeerd is, doet in het Stavanger Aftenblad een verbaal van zijn avontuurlijke reis naar zijn vaderland, nadat de Noorsche zeelui op zee in open boten aan hun lot waren overgelaten.

,,Nauwelijks hadden wij ons een scheepslengte van het stoomschip verwijderd — zoo vertelt de kapitein — of de eerste granaat boorde een gapend gat in de zijde van de Geiranger. Wij bevonden ons zoo dicht in de nabijheid van het schip, dat een ijzersplinter tusschen een paar manschappen vloog, zonder hen nochtans te kwetsen. Wij zeilden tot het donker werd en legden ons toen voor anker, totdat het om drie uur licht begon te worden, waarna wij weder in zuidwestelijke richting begonnen te zeilen.

Na anderhalf uur kwamen wij aan boord van de visscherssmak Insulinde, kapitein Rust, van Vlaardingen, waar wij op hartroerende wijze ontvangen werden. De bemanning wist niet op welke wijze zij ons maar goed zouden doen. Zij gaven ons letterlijk alles wat zij bezaten, en lieten ons hun kooien over. De stuurman had een klein pakje met kaakjes, dat hij aan mijn vrouw gaf. Maar de ruimte aan, boord was erg nauw voor de bemanning, die uit 13 koppen bestond, en toen er alzoo 17 meer aan boord kwamen, kan men zich voorstellen hoe het daar gesteld was. Maar een oud spreekwoord zegt: waar er plaats is in het hart is er ook plaats in huis, en zoo was het ook hier het geval. Allen kregen wij plaats; maar mijn vrouw sliep onder een zeil op dek, in de kajuit was geen ruimte en het was er evenmin voor haar uit te houden.

Overigens moet ik zeggen, dat ik nooit van mijn leven op eenig vaartuig zulk een primitieven toestand heb gezien als daar aan boord! Er was maar één vork aan boord, kannen en vaatwerk hadden zij niet, maar het eten werd op de deksels van de pannen opgedischt. Doch één ding was goed; zij hadden de heerlijkste gezouten haring van de wereld!

Als een bijzonderheid kan vermeld worden dat de visscherssmak zes weken lang rondgedreven had zonder een enkel oorlogsschip te zien, maar wel hadden zij met hout geladen vaartuigen voorbij zien varen.

Ik vroeg den baas van de smak — zoo vertelt de kapitein ons verder — of hij ons in Engeland aan land wilde zetten, maar dat durfde hij niet. Toen vroeg ik hem, of hij mij toestemming wilde geven, de smak naar Stavanger te brengen. Stavanger, waar is dat? vroeg de baas. Toen ik hem op de kaart aanwees, waar wij ons bevonden en waar Stavanger lag, was hij onmiddellijk bereid en liet hij mij het commando over. Wij zetten toen alle zeilen op, en maandagnacht kregen wij het vuur van Ulsire in het gezicht. Niet lang daarna wierpen wij het anker in Sküdesnäshavn en namen wij van onze beminnelijke Hollanders afscheid.’’