Column: De Bende van Nijvel
- Bas van Toor
- 31-05-2014
- Nieuws
,,Ome Pim, ik ga straks nog even met de radiowagen met mijn feestneus op over de boulevard wat flyers uitdelen. Als u nou rijdt dan deel ik de flyers uit en hebben we vanavond weer een volle tent.'' Ome Pim was een oude man in ons circus die voor alles goed was. Hij schilderde de vrachtwagens, soppen noemde hij dat. Hij haalde hooi en stro voor de dieren en wist voor een prikkie en wat vrijkaartjes de vuilniswagen te legen. Hij tankte de wagens af en verkocht in tien minuten pauze vijftig langspeelplaten van ons. Hij was, vertelde hij, vroeger ook clown geweest en ook nog drummer. Zijn vrouw was een struise Jordaanse, echt een vrouw die je nu een 'gouwe wijf' zou noemen. Zij paste veel op de kinderen, haalde boodschappen voor mijn vrouw en hielp haar ook nog mee in de huishouding. Want in een rijdende villa van vijftien meter lang en drie en drieënhalve meter breed was, met twee kinderen en tussendoor ook nog optredens, voor mijn vrouw iedere dag genoeg werk te doen. Kortom, ik denk ook nu nog regelmatig met warme gevoelens aan Ome Pim en tante Cor terug.
Een half uur later hoorde ik Ome Pim toeteren en stapte ik in vol ornaat in de cabine van de reclamewagen. Ik zette de muziek aan en even later schalde het over de boulevard van Blankenberge: 'Het circus is weer in de stad...!' Toen we even stopten, stroomde het publiek naar de wagen om een flyer te bemachtigen waarop stond te lezen dat het Nederlandse circus Bassie en Adriaan een aantal dagen in de stad Blankenberge was. Ome Pim gaf weer gas en we reden naar een ander plekje. Plotseling uit het niets, ging er een slordig geklede politieman op een dienstfiets voor ons uit rijden, waar we eerst geen aandacht aan schonken. Maar even later gebaarde hij dat wij hem moesten volgen. Ik dacht: Nou, die heeft een paar vrijkaartjes nodig. Dus dat was geen punt. Na een paar minuten wees hij ons aan waar we moesten parkeren en toen bleek dat wij voor een politiebureau stonden.
Hij kwam naar ons toe. Ik had het raam opengedraaid en probeerde lollig te zijn en zei: 'Allememachies! Zelden door een drommesaris begeleid door de stad gereden.' Kortaf vroeg hij: ‘Vergunning?’ Ik vroeg: ‘Visvergunning of tapvergunnning?’ Hij zei bars: ‘Jij weet donders goed wat ik bedoel. Neem maar een Hollander in de maling en niet mij.’ En toen begon tussen Ome Pim en mij het theaterstuk waar we altijd succes mee hadden. En ik zei: ‘Ome Pim, pakt u even de geluidsvergunning.’ Waarop Ome Pim quasi verbaasd vroeg: ‘Die heb jij toch meegenomen?’ Waarop ik weer verbaasd vroeg: ‘Ik? Die neemt u toch altijd mee?’ Wij wisten allebei donders goed dat we geen vergunning hadden, omdat het aanvragen van een geluidsvergunning zinloos was. Want als die al werd verleend, dan arriveerde hij toch te laat en was het circus al weer drie plaatsen verderop.
Om de spanning een beetje te breken zei ik: ‘Met hoeveel personen willen jullie naar het circus. Een man of dertig?’ De agent zei bars: ‘Niks vrijkaartjes! Ik moet een vergunning zien.’ Ik zei: ‘Dan hebben we een probleem.’ De agent vroeg verbaasd: ‘We hebben een probleem? Jullie hebben een probleem! Uitstappen en mee komen.’ In gedachten zag ik de krantenkoppen al: Clown Bassie gearresteerd in Blankenbergen. Maar daarna dacht ik: Nou en? P.T. Barnum, de directeur eigenaar van het grote Amerikaanse circus Barnum & Bailey zei altijd: Het geeft niet hoe ze over mij praten, als ze maar over mij praten. Dus we volgden de man het bureau in.
Binnen in het bureau veranderde de Belgische agent totaal van toon. Want was het gesprek buiten nog redelijk geweest, binnen ging hij de grote Sheriff uithangen en zei kortaf tegen mij: ‘Zitten jij.’ En wees naar een stoel in de gang. Toen ik daarop grappig protesteerde zei hij met stemverheffing: ‘Hou je grote Hollandse rotkop dicht of ik gooi je in een cel!’ Ik dacht: Laat ik ook maar geen Belgenmop maken. Want dan zijn we zuur. Ik keek om mij heen en ik dacht: Verrek! Waar is Ome Pim gebleven? In gedachten zag ik die ouwe al op water en brood zitten. Maar die ouwe had link gas gegeven toen die Sheriff met mij naar binnen liep en was spoorslags naar het circus gereden om zich heel sneaky te verstoppen in zijn woonwagen. Achteraf was het natuurlijke een vreemde en komische situatie omdat ik gewoon mijn verhoor afwachtte in een gang waar doorlopend mensen doorheen liepen die belangstellend vroegen: ‘Bassie, wat is er aan de hand?’ En ik maar van mijn arrestatie vertellen en beweren dat ik onschuldig was.
Na twee uur kwam Dicky Bigmans, zoals ik die agent inmiddels gedoopt had, naar mij toe en zei enkel: ‘Zie je die deur daar?’ Terwijl hij naar de buitendeur wees. Ik knikte van ja en hij zei: ‘Opgehoepeld!’ Dat liet ik mij geen twee keer zeggen, dus een tel later stond ik op straat. Niet dat ik mij boven u verheven voel, maar u als timmerman, automonteur of kelner heeft er geen weet van hoe erg je voor gek staat als je als een bekende tv-clown ineens alleen op straat staat. Dan sta je gewoon voor Jan met de korte achternaam. Ik probeerde een auto of tien aan te houden, maar iedereen zwaaide vrolijk naar mij en reed lachend door. Totdat er twee man uit het politiebureau kwamen die vroegen: ‘Hé Bassie, de weg kwijt?’ En ik vertelde ze wat mij was overkomen. ‘Nou, dan rijden wij je wel even naar het circus. Stap maar achterin.’
Toen ik in de laadruimte van de Renault bestelwagen stapte ontdekte ik allemaal technische apparatuur en ik had meer het idee dat ik in een mobiel radiostation stapte. Toen ik bij het circus uitstapte vroeg ik waar die apparatuur allemaal voor diende. De ene man zei: ‘Wij repareren in het gehele land.’ Ik zei: ‘Oh, leuke baan.’ En schonk er geen aandacht meer aan. Ik nodigde ze allebei uit voor een drankje in onze circuskantine. We hadden die dag geen middagvoorstelling, dus ging ik bij ze zitten achter een Coca Cola. Het waren ferme innemers allebei. Want toen ik die avond om elf uur in de bar kwam zaten ze er nog en ze hadden de grootste lol met de andere artiesten. Nou, leuk toch? Ik hoorde ’s nachts om half drie hun autootje starten en dacht er verder niet meer aan.
Maar wat schetste mijn verbazing? Toen ik de andere ochtend om tien uur een kop koffie ging drinken in onze bar trof ik de beide heren alweer, zij het fris gewassen, op een kruk aan met een kop koffie en een bel Martel cognac waar je U tegen zei. Ik zei: ‘Goeiemorgen heren. Volgens mij hebben jullie het bij ons best naar de zin.’ ‘Bassie,’ zei hij lachend ‘wij vinden de sfeer hier zo leuk. Heb je nog personeel nodig?’ ’Nou als je de Leeuwen wil temmen ga je gang.’ ‘Nee, dat liever niet, maar heb je er bezwaar tegen dat we zo af en toe eens een pintje komen drinken?’ Ik zei: ‘Ik niet. Als je maar wel afrekent vanaf vandaag. Gisteren was het gratis voor de taxirit zullen we maar zeggen. Overigens, is het niet te vroeg voor cognac met koffie?’ Hij zei lachend: ‘Ja sorry hoor, wij moeten die koffie altijd een beetje verdunnen met cognac. Want puur krijgen wij dat spul niet door onze strot.
En vanaf die dag zaten Peppi en Kokkie, zoals wij ze noemden, elke dag van ‘s ochtends tien uur tot dikwijls laat in de avond op hun vaste plekje aan de bar. Ze gingen wel af en toe even weg voor een minuut of twintig. Nou heb je in de circuswereld een slag volk wat te pas en te onpas opduikt, maar die zijn wel duidelijk te herkennen aan het plastic tasje wat ze altijd bij zich hebben en in hun ogen een vragende blik van: Weet je nog een nieuwtje? En als je een nieuwtje hebt is dat gegarandeerd diezelfde avond nog naar heel Nederland doorgebeld naar hun lotgenoten. Oneerbiedig worden ze circusmafketels, circuswausen of circusgekken genoemd. Deze mensen zijn helemaal weg van het circus. Alleen zie je ze nooit bij regenachtig weer om mee te helpen afbouwen. Maar circusmafketels of circuswausen waren onze twee Belgische vrienden beslist niet. En het gekke is; ze werden ook niet dronken.
Na een paar weken zei de ene: ‘Bas, jullie staan overmorgen in Merelbeke en wij hebben geregeld dat de burgemeester jullie een drankje en een oorkonde uitreikt op het stadhuis. Iedereen van het circus is uitgenodigd. De pers komt ook. Dus het is ook nog goeie PR voor het circus.’ Nou leuk toch? Hapje, drankje en een leuk stuk in de krant. Niks op tegen toch? De ontvangst op het stadhuis door de burgemeester die in België geen keten draagt maar een rood-geel-zwarte sjerp was fantastisch. Een lovende toespraak, lekker koud buffet en Aad en ik allebei een mooi tinnen wandbord met het wapen van Merelbeke. Kortom, leuk feestje.
De week erop weer een feestje. Maar nu in een andere stad. En zo ging het maar door. Onze twee vrienden regelden de ene na de andere ontmoeting met een burgemeester ten stadhuize met aansluitend feest en hapjes en drankjes. Wij begrepen er geen fluit van. Elke dag tankte onze twee vrienden ook nog aan de circusbar en waren door hun gulle gedrag welkome gasten. Ik nodigde ze een avondje uit in onze grote woonwagen en wilde zo achter hun geheim zien te komen. Wie waren zij? En waarom zaten ze elke dag uren aan de circusbar terwijl er in België nou niet bepaald een tekort aan kroegen is?
Toen ze kwamen, viel mij de grote bos bloemen voor mijn vrouw op. Ze waren allebei keurig gekleed in een maatpak en niet in hun vrijetijdskleding zoals elke dag. In de loop van de avond zei de een: ‘Bas, we komen ook afscheid nemen. Want we gaan jullie verlaten.’ Ik vroeg verbaasd: ‘Waarvoor dat mooie kostuum? En waarom gaan jullie ons verlaten?’ ‘Nou,’ zei hij ‘ons werk zit er hier op. We krijgen nu een andere dekmantel.’ Ik zei: ‘Pierre, verdomme, waar heb je het over?’ Toen legde hij zijn legitimatie voor mij op tafel en ik las ‘Hoofdcommissaris … En de ander zei: ‘Bas, ik ben ook van die club.’ En hij vertelde hun verhaal.
Zij waren allebei hoge politieofficieren van de BOB. Oftewel van de Bijzonder Opsporings Brigade en deden onderzoek naar de bende van Nijvel, zo genoemd naar een bende die bekend stond om hun bijzonder wrede manier van optreden bij overvallen in winkelcentra. Toen ze mij naar het circus brachten met hun tot de nok toe met elektronische apparatuur gevulde bestelwagen besloten ze met het circus mee te reizen en zo aan hun informatie te komen. Ik vroeg brutaal: ‘Weet je al wat?’ Waarop hij zei: ‘Ja, dat we er nooit achter komen wie die gasten zijn. Wel weten we inmiddels dat het erg hoog gaat.’ Dit verhaal heeft zich afgespeeld in 1980 en tot nu toe weet men alleen dat er hooggeplaatste figuren bij de bende van Nijvel betrokken waren, maar dat is dan ook alles ook. Tot dat ik een dezer dagen in de krant las en op de tv hoorde dat er vermoedelijk een lid van de bende van Nijvel opgepakt is in België.