Column: Scheppen
- Wouter Schutte
- 11-01-2016
- Nieuws
Gisteren heb ik een kuil gegraven, en nog een, met mijn kleinzoon. Hij vindt dat prachtig. Hoe dieper hoe beter, water erin. Als het aan hem ligt graaft zijn opa door tot aan Hoek van Holland. Meestal wordt ik gered door vloed, invallende duisternis of het in slaap vallen van de kleine strandridder. Maar tussen de heen en terugreis kan zo maar drie uur zitten als meneer het naar z´n zin heeft. Overigens niet dat opa dat bezwaarlijk vindt. Iedere minuut is een feest en maakt hem jaren jonger. Hoe dichtbij kan het gevoel van het eeuwige leven zijn.
Het uitgegraven zand moet natuurlijk in de vorm van een berg zijn weg vinden. Een deel van de lol zit hem erin dat de hoogte van de berg bepalend is voor het plezier en succes van de dag, dus doorgraven is het devies. Tot het moment dat de berg niet hoger wordt en de basis te smal blijkt. De korrels hun weg naar beneden vinden. Om nog een beetje hoogte te winnen moet je zeker nog eens een zelfde hoeveelheid zand uitgraven. Daar kan je met al je levenservaring, uren zelf spelen, twee kleinkinderen verder nog vies op verkijken.
Na nog een half uurtje graven is het tijd voor brood, melk, een appel. Half tegen “zijn” opa liggend staart hij over zee. Moe, beschouwend en soms gedecideerd kan hij zijn. Soms wisselen deze gemoedstoestanden zich in rap tempo af. Het kost even tijd. “Opa, komt het nog af vandaag?” Het duurt wel lang voordat hij wat hoger wordt he.”” Ja jongen, het is niet eenvoudig. Soms als je er zand opgooit neemt het zand steeds meer korrels mee naar beneden. Dat houdt pas op als er beneden voldoende zand ligt en dan nog moet je heel voorzichtig aan de bovenkant er een beetje bij doen. En dan wordt hij nog maar een klein beetje hoger. En dan komt de verlossing: “Opa zullen we wat anders gaan doen?”
Vanmiddag moest ik aan dit beeld terugdenken bij het nalezen van de Nieuwjaarsrede van Bert Blase, bij het schrijven van de evaluatie van het werkbezoek van het Metropole Orkest en het Varend Corso aan Vlaardingen en aan de presentatie van de bouw van de muziektent in het kader van de actie De Burgermeester. Moeten we de kwaliteiten van de stad niet afmeten aan de breedte van de basis, meer oog hebben voor de diversiteit en tijdelijkheid van oplossingen. Willen we wel anders nadenken over meer, toppen, hoger? Wanneer is het genoeg of nog leuk? En is er misschien nog wat anders. Moeten we niet wat langer gezamenlijk over zee staren en genieten van het feit dat het samen ook anders kan omdat we daar samen over hebben nagedacht.
“Wat was het een mooie dag gisteren, he opa. Zullen we morgen weer gaan?” “Nee jongen, morgen moet opa werken, praten over meer inzet van de burger, dienstverlening naar een hoger peil, deregulering en handhaving. Of zal ik nog een dagje vrij nemen?” Als ik mijn jas pak struikel ik bijna over de emmer en schep, die hij al klaar heeft gezet. Hij is er al uit.