
VLAARDINGEN – Op 11 december 1929 loopt de ‘Stad Vlaardingen’ binnen in de Vulcaanhaven in Vlaardingen. Het schip overleefde een maand onafgebroken slecht weer en een helse storm. Dat kan helaas niet gezegd worden van alle bemanningsleden. Vier van hen sloegen overboord. Een van hen was de Vlaardingse matroos A. Notmeyer. Voorwaarts interviewt kapitein Wyrdeman.
,,Op 5 november’’’, aldus de kapitein, ,,waren wij van Narvik vertrokken naar Sydney met een lading ijzererts. We hadden steeds slecht weer. Maar enkele dagen waren ertusschen, dat het schip goed stuurbaar was. Op zaterdag 16 november kregen we vliegend stormweer en vier luiken van ruim 3 sloegen onder pressennings weg. Hoe dat mogelijk is geweest, begrijp ik nog niet. Omdat we vreesden, dat het ruim door de stortzeeën zou volloopen, heb ik onder de pressennings planken laten leggen. Zoo zijn we bij Belle Ile gekomen. Het weer werd slechter en slechter en ’s nachts was het zóó beestachtig, dat we moesten bijdraaien. De machine liet ik een zoodanig aantal omwentelingen maken, dat het schip juist bestuurbaar bleef, doch geen vaart maakte.
Zondagmiddag om een uur of vijf zat ik in mijn hut, toen ik hoorde schreeuwen dat de planken die over het ruim waren gelegd, weer weggeslagen waren. De stuurman wees vijf menschen aan om de planken opnieuw vast te maken… Ik stond op dat oogenblik op de brug naar het werk te kijken, toen ik de zee zag opkomen, dwars van ruim 3 en overkrullend. Ik riep: ,,Kijk uit jongens!’’ en de bootsman, die eveneens met het dicht spijkeren bezig was, waarschuwde ook nog. De mannen renden weg, maar de zee was er al en greep hen in den rug. Ze werden tegen de reling geslingerd en verder zag ik niets meer van hen.
Dadelijk zond ik den stuurman naar beneden om te kijken en toen we niets meer zagen, begrepen we, dat de menschen over boord moesten zijn geslagen. Terstond liet ik een Hermes-licht (d.i. een lantaarn, die zichzelf ontsteekt als zij in het water komt) over boord werpen en verschillende reddingsgordels in het water gooien Met electrische lantaarns zijn we voor de zekerheid het schip nog gaan afzoeken, omdat het mogelijk was dat de menschen misschien gewond beneden lagen. Ook had ik dadelijk de machine laten stoppen. Met z’n drieën zijn we het schip geheel rond geweest, doch we vonden niets.
Volgens mij moeten de menschen eerst tegen de reling zijn geslagen en daardoor het bewustzijn hebben verloren en toen in de golven den dood hebben gevonden. Een hunner, Arie Mulder, was den dood ontsnapt. Hij was voor tegen de winches terecht gekomen en daar blijven hangen. Dat is zijn geluk geweest. De anderen waren achteruit gesprongen en werden dientengevolge door de zee gegrepen. Een boot uitzetten was door het slechte weer onmogelijk; dat zou een moord zijn geweest. Ik kon niets anders doen dan alle schepen in den omtrek waarschuwen om uit te kijken hoewel ik wel wist, dat het tevergeefsch zou zijn. Het water was ijskoud, zodat de menschen onmiddellijk door de koude bevangen en verdronken moeten zijn.
Nog nooit heb ik zoo’n zee meegemaakt en ik vaar toch al een dertig jaar.’’
De kapitein was zeer onder den indruk tijdens het vertellen van de wederwaardigheden. Naar hij verklaarde, was de stemming aan boord altijd zeer goed, zoodat het wel hard is, vier leden van de bemanning zoo maar ineens te moeten verliezen.
Ook op den terugweg had de ‘Stad Vlaardingen’ nog voortdurend slecht weer en met hevigen storm te kampen. ,,We kregen den wind twee streken meer achter dan dwars’’, zei kapitein Wyrdeman nog ,,En twee maal hebben we nog bijgedraaid moeten liggen. Voortdurend ving onze marconist S.O.S.-seinen op van schepen, die in nood verkeerden, maar we hebben er geen gezien.’’