
,,Omtrent het op Doggersbank gezonken hoekerschip ‘de Groote Visscherij’, stuurman H. de Graaf, verneemt men het volgende. Door het ruwe weder van zondag 17 October ontstond er een zwaar lek, dat zoodanig toenam dat elk terstond op lijfsbehoud bedacht was. Het in de nabijheid zijnde hoekerschip, stuurman C. Bovy, stelde onmiddellijk pogingen in het werk tot redding, maar slaagde daarin slechts ten deele.
In aller haast bond men zeven man aan eene lijn die dan ook wel aan boord zijn gekomen, maar vijf als lijken en twee meer dood dan levend, terwijl nog een matroos van wien men niets meer gezien heeft, zich van de lijn hoeft losgewerkt.
De overige mannen van boord te krijgen, scheen ondoenlijk; deze werden door een Engelsch vaartuig in den avond van den zelfden dag opgemerkt en gered. Geen tien minuten daarna zonk het schip in de diepte met 10 last haring aan boord. De levenden en dooden zijn te Vlaardingen aangevoerd.’’