Het zwerversleven van een scharenslijper
- Erik Meijer
- 09-10-2012
- Nieuws
,,Vanmorgen beeft terecht gestaan de 68-jarige J. d. V., te Vlaardingen, scharenslijper van beroep, wien bedelarij en vernieling was ten laste gelegd. Hij zou op 23 augustus te Vlaardingen in bedelende houding om een aalmoes gevraagd hebben en op 22 augustus in een winkel van zijn zoon een ruit hebben ingegooid. Deze zoon had een klacht ingediend.
Beklaagde deed op zeer gemoedelijken toon een verhaal omtrent zijn zwerversleven. Hij was in twintig jaren niet in Nederland geweest, maar had met zijn scharenslijperswagen al dien tijd zijn kost opgeschommeld in België en Frankrijk. Het ging na den oorlog, toen er van die groote putten in den weg waren ontstaan, niet meer voor iemand van zijn jaren om met zijn scharenslijperswagen den boer op te gaan. Hij had geschreven aan zijn toon en die had vader uitgenoodigd om maar bij hem thuis te komen. Maar daar in huis was het niet uit te houden. Als hij een stoel wou verzetten, kreeg hij al booze woorden van zijn schoondochter.
Hij had toen maar een eind er aan gemaakt, was de deur uitgegaan en had vijf maanden geslapen in een schuur bij een boer in de buurt. Daarna bad hij weer vijf maanden met een lorren- en beenenhandei zijn kost verdiend, en toen ook die handel geen baten meer opbracht, was hij onderdak bij de politie gaan zoeken. De ruit had hij ingegooid, nadat men bij een trouwpartij hem borrels had gevoerd en hem had opgestookt tegen zijn zoon. Nu zou hij graag genadig behandeld worden. Dan kon hij naar zijn broer in Assen gaan, die had wel acht eigen huizen.
Als getuige werden gehoord de agent van politie A.H. Wigbold en A.F. Kortleven. De eerste had de bedelarij geconstateerd, de andere had den ruit zien ingooien. Naar beide getuigen verklaarden was de zoon een oppassende man, zelf scharenslijper, die met hard werken aan den kost komt. Of hij den vader ondersteunen kan, weten zij niet. Volgens getuige Kortleven heeft de zoon een mooie scharenslijperswagen. dien hij echter zelf met oud koper en zoo, op de markt gekocht, heeft versierd. Dat, zooals beklaagde beweert, die wagen f 1.000 zou waard zijn, gelooft getuige niet. Misschien dat iemand die er geen verstand van heeft, wel geld er voor zou uitleggen, maar zoveel zeker niet.
Het O.M., waargenomen door J. G. Holsteyn, achtte het noodzakelijk te trachten deze man van de straat te krijgen. Hij klaagt nu wel over zijn familie, maar van haar kant is deze weer allerminst over hem tevreden. Hij drinkt te graag borreltjes, meermalen kwam hij dronken thuis en was dan lastig. Zoo is hij op straat gekomen, heeft eenigen tijd bij de boeren en bij de politie onderdak gekregen maar toen hij met vernielingen begon, moest aan zijn vrijheid een eind worden gemaakt.
Eisch voor de vernieling 1 maand gevangenisstraf en voor de bedelarij 3 dagen hechtenis met opzending naar een Rijkswerkinrichting voor den tijd van 1 jaar en 6 maanden.’’