[caption id="attachment_11083" align="alignnone" width="512"]

De Sch. 266 van schipper Den Dulk.[/caption]
VLAARDINGEN - Vissers die op volle zee overboord sloegen waren vaak reddeloos verloren. Dat was ongetwijfeld ook het lot geweest van een lichtmatroos van de Sch. 266 als zijn kompaan A. Groen niet zo heldhaftig had ingegrepen. De kapitein van de Scheveningse logger steekt in de Nieuwe Vlaardingse Courant zijn bewondering niet onder stoelen of banken.
Maandag kwam te Vlaardingen binnen de motorlogger Sch 266, schipper A. den Dulk, van welk schip op 17 december in volle zee een lichtmatroos over boord was gevallen, en die op zulk een moedige wijze is gered door den matroos A.K. Groen, beiden behoorende tot de bemanning van genoemd schip. Schipper den Dulk vertelde aan de Nieuwe Vlaardingsche Courant nog enkele bijzonderheden over deze redding.
,,Toen de jongen over boord was geslagen, stoomden wij langzaam achteruit en trachtten door roepen en schreeuwen verbinding met den drenkeling te krijgen, doch alles te vergeefsch. Ook lijnen waren klaar gemaakt om den drenkeling toe te werpen, zoodra wij hem gewaar werden. Ik zelf stond aan het roer toen ik plotseling vóór op het schip hoorde roepen: ‘Daar, daar’, en een seconde later sprong er iemand over boord. Later bleek dit Groen te zijn.
De vader van Groen, die ook aan boord van het schip was, had om het middel van zijn zoon een touw gebonden. De jongen had iets van een hond. Onrustig liep hij heen en weer, aldoor maar turend over het donkere water om maar iets te ontdekken van den drenkeling. Nauwelijks had hij dezen dan ook gezien, of in het water was hij. Het schip lag op dat oogenblik stil.
Wegens het donker zagen wij noch den drenkeling noch den redder, doch plotseling hoorden we Groen roepen: ‘Halen maar ik heb hem’ en spoedig lagen zij beiden naast het schip. Ik liep van het roer en bukte mij over de verschansing om den drenkeling te pakken en hoorde Groen zeggen: ‘Alles in orde, schipper’.
Aan boord halen was het werk van een oogenblik. Beiden een flinken warmen groc en onder de wol. Een halven dag later was het geheele gebeurde vergeten. Groen vertelde mij nog dat, toen hij in bet water sprong en zijn lichaam in aanraking kwam met het ijskoude water, hij eerst terug wilde keeren, daar de kou zoo hevig was, dat hij een gevoel kreeg alsof zijn hart stil bleef staan.
Gelukkig ging dit weldra over en zwom hij met forsche slagen den drenkeling tegemoet. Het is mijn vaste overtuiging, dat, ware A. Groen niet over boord gesprongen, de drenkeling wis en zeker, ondanks al onze pogingen aan boord, een prooi der golven was geworden.’’